Marieke Winters
logopedist Kentalis
Marieke Winters is logopedist bij Kentalis. Ze werkt op de vroegbehandeling van Kentalis voor peuters en kleuters (tot vijf jaar) met een vermoeden van een taalontwik-kelingsstoornis. Een TOS is een neurologische stoornis. In de hersenen van mensen met TOS wordt taal minder goed verwerkt.
Op de vroegbehandeling wordt taal rijk en ervaringsgericht aangeboden. Marieke: “Kinderen in groep 1 en 2 leren ook vooral door te zien en te doen. Daarom zijn veel aspecten uit ons programma goed toepasbaar voor kleuterleerkrachten.”
Steeds meer kleuters starten met een taalachterstand of taalprobleem. Als kleuterleerkracht sta je dus voor een belangrijke uitdaging: hoe bied je een rijk taalaanbod dat écht werkt? Dat hoeft niet ingewikkeld te zijn en kan zelfs zorgen voor meer plezier in de klas. In dit interview deelt Marieke waardevolle tips die kleuterleerkrachten eenvoudig kunnen toepassen. Marieke: “Kinderen communiceren eerder als iets leuk en betekenisvol is.”
Tip 1: Gebruik taal als doel én middel
“In onze groepen staat taal centraal in álle activiteiten. We verweven taal in spel, routines en instructiemomenten. We benoemen voortdurend wat er gebeurt: “Jij bouwt een hoge toren”, “De pop gaat slapen”. We gebruiken ook voorzetsels en koppelwerkwoorden, omdat kinderen daar vaak moeite mee hebben. Daarbij werken we met visuele ondersteuning zoals woordkaartjes, verhalenkoffers en interactieve doe-platen en gebaren.”
Geef altijd een volledige zin terug
“Kinderen met een taalprobleem praten vaak in onvolledige zinnen. Wij geven hen altijd een volledige zin terug. Als een kind zegt: “lamp aan”, herhaal ik die zin en voeg ik er een werkwoord aan toe; “de lamp is aan”. Ook breid ik zinnen uit door er een bijvoeglijke naamwoord aan toe te voegen.
De moedertaal is belangrijk
“Kinderen die een andere moedertaal hebben, geven soms antwoord in die taal. Door hen pictogrammen aan te bieden, kunnen ze aanwijzen wat ze bedoelen. Wij adviseren ouders van kinderen met een taalachterstand om thuis vooral de moedertaal te spreken met het kind. Zonder een stevige moedertaal leer je namelijk geen andere taal.”
'Kinderen met een taalprobleem praten vaak in onvolledige zinnen. Wij geven hen altijd een volledige zin terug'
Tip 2: Gedeeld plezier
“Wij werken met vijf basisvaardigheden die nodig zijn om taal te leren (zie kader). Een belangrijk basisvaardigheid daarin is gedeeld plezier. Taal leren mag leuk zijn. Wij leggen de focus niet op wat bij kinderen met een taalprobleem niet goed gaat, maar op wat wel goed gaat.”
Stel kinderen op hun gemak
“Kinderen met taalproblemen kunnen een negatieve reactie zien als falen. Ze raken gefrustreerd als ze niet uit hun woorden komen, of trekken zich terug. Wij overvragen kinderen niet door bij ieder voorwerp te vragen: “wat is dit en wat is dit?” Wij bouwen eerst vertrouwen op door uit te stralen; “ik verwacht niks van je.” We werken ervaringsgericht, zodat kinderen spelenderwijs leren. En we bieden alternatieven, een plaatje aanwijzen of gebaren gebruiken, voor als een kind iets niet kan zeggen.”
'Leg de focus op wat wél goed gaat. Zo ervaren kinderen meer plezier'
Tip 3: Werk met thema's
“Kinderen zonder taalproblemen leren taal door woorden automatisch aan denkbeeldige kapstokjes te hangen. Bijvoorbeeld een trui, een broek en sokken zijn kledingstukken. Kinderen met taalproblemen lukt het niet om woorden zo te ordenen.
Wij werken op de groepen met thema’s zoals “ik ga slapen” of “lekker eten”. De woorden die bij een thema horen hangen we zo alvast aan de juiste kapstok. Iedere week bieden we een vaste set van ronde de vijf woorden aan bij het thema (afgestemd op het niveau van het kind) en herhalen deze. Bij die set bieden we ook op verschillende manieren zinnen aan. Ook weer met visuele ondersteuning door woordkaartjes aan de muur te hangen.”
Extra tip kleuterleerkracht:
In veel kleuterklassen wordt gewerkt met thema’s. Daar kun je iedere week bijvoorbeeld tien woorden aan hangen die je telkens herhaalt binnen een ervaring of activiteit. Stel dat je niet met thema’s werkt, dan kun je werken met de seizoenen.
Tip 4: Werk ervaringsgericht
“Als je kinderen het woord ‘fles’ wil leren moet je hen eerst leren wat een fles is. Wij doen dat door kinderen nieuwe woorden te laten ervaren. Ze mogen de fles open maken, eraan ruiken, de fles met water vullen en eruit drinken.”
Woorden zien, horen, voelen, ruiken en proeven
“Op die manier behandelen we ook de woorden die bij de thema’s horen. We starten met zien, horen, voelen, ruiken en soms proeven. Door ervaringen op te doen begrijpen kinderen de woorden beter en slaan ze de taal makkelijker op. Bij het thema ‘Ik ga slapen’ mogen kinderen hun pyjama’s aantrekken en in een groot bed liggen. Ze mogen hun tanden poetsen en onder de tafel maken we een donkere hut door daar lappen over te hangen. De kinderen krijgen een zaklamp en kruipen daarmee onder tafel. Aan alle activiteiten hangen we taal. We vragen de kinderen: ‘Wat doe je als het donker wordt?’ De woordenset die we daarbij aanbieden zijn: lamp aan, lamp uit, licht, donker, het knopje, drukken.”
Knutsel maken of boek voorlezen
“Om te zorgen dat de taal beklijft, doen we de hele week activiteiten waarbij we dezelfde woorden herhalen. Dat hoeft niet altijd een ervaring te zijn. Na een ervaring kun je ook over hetzelfde thema voorlezen uit een boek of hen een knutsel laten maken.”
Extra tip kleuterleerkracht:
-Je kan in de klas verschillende hoeken aanbieden. Niet alleen een huishoek en een bouwhoek, maar ook een hoek die bij een thema hoort.
-Hou het behapbaar. Een ervaring waar je woorden aanhangt, kan bijvoorbeeld ook ‘naar de wc gaan’ zijn.
Tip 5: Lok communicatie uit
“Ons hoofddoel is dat een kind communicatief zelfredzaam wordt. Onze slogan daarbij is: kijken, wachten en luisteren. Stel we zien (kijken) dat een kind klaar is met kleien, dan vragen we niet, “wat wil je nu doen?” maar we wachten we tot het kind zelf initiatief neemt. Vervolgens luisteren we goed. In plaats van taal kan een kind ook een gebaar gebruiken of een pictogram aanwijzen. Een kind leert zo; als ik om hulp vraag, krijg ik dat ook.”
Extra tip kleuterleerkracht:
Als er een onderwijsassistent beschikbaar is kun je de kleutergroep splitsen op taalniveau. In kleinere groepen kan je meer communicatie uitlokken. Maar het voordeel van verschillende taalniveaus in een klas is juist dat kinderen van elkaar kunnen leren.
Vijf basisvaardigheden fundament voor taalontwikkeling
Op de vroegbehandeling worden jonge kinderen doelgericht uitgedaagd om te communiceren. Kentalis gebruikt daarbij vijf basisvaardigheden die samen het fundament vormen voor taalontwikkeling.
-
Imiteren (nadoen).
Imitatie is vaak de eerste stap naar communicatie. Imiteren legt de basis voor interactie. Het kind leert: communicatie is een ‘wisselwerking’. - Oogcontact maken. Oogcontact is een middel om contact te creëren.
- Aandacht voor gesproken taal. Kinderen worden gestimuleerd om te luisteren en betekenis te geven aan taal.
- Beurtgedrag (om de beurt communiceren). Beurtgedrag vormt de basis voor gesprekken en sociale interactie. Dit kun je oefenen met simpele spelletjes met een duidelijke beurtstructuur: zoals een bal overrollen. De begeleider benoemt de beurt: “Nu jij” – “Nu ik”.
- Gedeeld plezier. Misschien wel de belangrijkste motor achter communicatie; momenten van plezier
Samengevat
Vijf tips voor leerkrachten om kinderen met een TOS te begeleiden
- Gebruik taal als doel en als middel. Verweef taal met spel, routines en instructiemomenten.
- Zorg ervoor dat je samen plezier hebt. Taal leren mag leuk zijn.
- Werk met thema's waarbij je een set woorden aanbiedt en herhaalt.
- Werk ervaringsgericht door kinderen woorden te laten zien, horen, voelen, ruiken en proeven.
- Lok communicatie uit. Bijvoorbeeld door te wachten tot een kind zelf initiatief neemt.