‘Jenga, ganzenbord, voetbal en gedragsverandering’

Sport en spel voor kinderen die uitdagend gedrag vertonen

Tessa Blom is een kinder- en jeugdpsychologe die enorm van sporten houdt en nog regelmatig op een hockeyveld te vinden is. Met het team van haar trainingsbureau Sports & Behaviour (S&B) coacht ze op scholen met sport en spel kinderen die uitdagend gedrag vertonen. Wat zijn de pijlers van haar aanpak? Welke tips heeft ze voor docenten en IB’ers?

Leren door te doen

Nadat Tessa elf jaar bij Altra Jeugd- en Opvoedhulp werkte, besloot ze haar ervaringen in hulpverlening en passie voor sport te combineren in een eigen trainingsbureau. Ondertussen is ze met het team van Sports & Behaviour al ingezet op talloze scholen in het Amsterdamse, zowel in het voortgezet onderwijs als in het regulier en speciaal basisonderwijs. Het hele S&B-team heeft een achtergrond in de sportwereld én pedagogische ervaring. Net als Tessa zijn de teamleden ‘doeners’.

‘Toen ik tijdens mijn stage in de GGZ een kind op kantoor moest laten komen, voelde dat heel onnatuurlijk. De betere gesprekken ontstonden tijdens tafeltennis. Mensen leren al doende. Wat je tijdens het sporten of spelen tegenkomt, biedt veel inzicht in bredere patronen en gewoontes.’

Foto2 Tessa Blom

Leren in een groep en verantwoordelijk maken

Gedragsproblemen in de klas gebeuren in de dynamiek van de groep. Een klas is net een team. Net als in een team moet je in een klas samenwerken. Je leert met iedereen werken en spelen, ook als de ander niet je beste vriend is. Daarom gaan er altijd twee trainers aan de slag, vaak eerst in de hele klas. Daarna wordt de klas in tweeën gesplitst om in kleinere groepen te oefenen. Met verschillende oefeningen en rollenspellen ervaren kinderen hun plek in de groep en de invloed van hun gedrag op zichzelf en anderen. Inzicht hierin verhoogt de kans dat de kinderen hun gedrag willen veranderen.

‘Bij pestgedrag moet je ook oog hebben voor de ‘middengroep’, de grote groep die het pesten laat gebeuren. Vaak willen ze wel helpen, maar weten ze niet hoe. Iedereen is verantwoordelijk voor het eigen stukje. Met samenwerkingsopdrachten kan het gepeste kind aansluiting vinden bij de anderen. De pestkop kan leren om op een positieve manier een podium te krijgen.’

Positieve benadering en cultuursensitief

Een positieve benadering staat centraal. Daarbij is het belangrijk in te zien dat elk kind het in de kern goed wil doen. Moeilijk gedrag is vaak een manier om te compenseren wat het kind nog niet kan. Veel gedragsproblemen hebben onzekerheid als oorzaak. Ook rolmodellen zijn belangrijk in de visie van Tessa en haar team, representatie doet ertoe. Omdat het vooral jongens zijn die externaliserend gedrag vertonen, bestaat het team van S&B uit veel mannen. Als een duo trainers aan de slag gaat op een school, wordt gekeken naar wie aansluit bij de culturele achtergrond van de kinderen. Daarnaast is er in de aanpak veel oog voor de kwaliteiten van de kinderen. Toen Tessa nog als hulpverlener werkte, merkte ze dat het in de caseload vaak gaat over wat nog niet goed gaat. In sport en spel kan een hulpverlener, een docent of ib’er de focus juist makkelijker leggen op wat er wel goed gaat. 

‘Voor heel wat kinderen is het pittig om urenlang stil te zitten. Een uurtje extra gymmen met een andere klas of iets anders doen vanuit hun kracht en talenten, vergroot hun zelfvertrouwen. Zo’n oplossing zal sneller tot gewenste gedragsveranderingen in de klas zorgen dan wanneer je als begeleider of docent blijft focussen op urenlang stilzitten’.

Oefenen met hoe wel

Hoe kunnen kinderen geprikkeld worden om bepaalde keuzes te maken? Gedragsverandering gaat om willen én kunnen. Soms geven kinderen letterlijk aan dat ze hun gedrag wel willen veranderen, maar niet weten hoe ze dat kunnen doen. Tessa stimuleert de kinderen om wat ze leren in sport en spel ook toe te passen in andere situaties. Als begeleider doe je dan meer dan complimenten maken, je kijkt ook samen naar de bron van onzekerheid en gaat daarmee oefenen. Met oog voor de talenten van het kind, kan je het stimuleren om die talenten en vaardigheden ook op andere momenten in te zetten. Tessa sluit aan bij de belevingswereld van het kind, dus ook de voetbalwedstrijd op zaterdag. Ze gaat van wat het kind al kan… naar wat het wil proberen.

‘We gebruiken spellen en opdrachten om kinderen te laten ervaren wat ze willen leren. Dat kan ook een bestaand spel zijn. Met Jenga kan je bijvoorbeeld werken rond faalangst. Kan het kind ruimte maken voor helpende gedachten, dus niet focussen op de toren die omvalt, maar wel op het beste blokje om weg te halen? In een spel kan een kind oefenen met het ombuigen van negatieve gedachten en met verlies leren omgaan. Die vaardigheden komen dan weer van pas bij het afleggen van een toets.’

De pauze telt mee

Een docent gaf na een lezing van Tessa een opmerking die bleef hangen: ‘het hele jaar door aandacht besteden aan groepsdynamiek, is geen tijdsverlies’. Ook wat gebeurde in de pauze, kan een vruchtbaar aanknopingsmoment vormen om in de klas aan groepsdynamiek te werken. ‘Werken aan’ betekent naast praten ook oefenen met andere manieren van denken. Als een kind door het lint gaat tijdens een spelletje voetbal, kan je in de klas terugkomen op de triggers en handvatten bieden om het te volgende keer anders op te lossen. Of als een kind bij een spelletje memory leert omgaan met verlies, dan kan deze ervaring misschien ook ingezet worden bij het volgende potje voetbal? Bij eindeloze discussies over een goal of overtreding kan de docent de metafoor van rots en water inzetten. Rotsen botsen op elkaar. Maar je kan ook water zijn, meebewegen en verder spelen. Het meningsverschil kan ook opgelost worden met een kort spelletje steen-papier-schaar.

‘Creatieve opdrachten, zoals het maken van een ganzenbord, stellen je in staat om met humor een gesprek te voeren over positief en negatief gedrag. Wat is het alternatief voor ‘in de put belanden’, sla je een beurt over omdat je tijdens de pauze gevochten hebt of is er een andere reden? Na afloop van het spel kan je verder praten over leren omgaan met je verlies. De mogelijkheden om via spel en sport tot gedragsverandering te komen, zijn eindeloos.’

Niet iedereen werkt later op kantoor

Toen Tessa lesgaf op mbo 4 ‘Sport en Beweging’, merkte ze hoeveel jongeren worstelden met minderwaardigheidsgevoelens. Bijna allemaal hadden ze het gevoel dat ze na het mbo verder moesten studeren om mee te tellen in de maatschappij. Dat is een hardnekkig misverstand dat de samenleving dringend los moet laten, volgens Tessa.

‘Net zoals reguliere hulpverlening niet voor elk kind werkt, net zoals niet elk kind gemaakt is om urenlang stil te zitten, werkt niet iedereen later op kantoor. Er zijn veel programma’s die gericht zijn op kinderen laten passen in de mal van het onderwijs. Ik wil kinderen vooral in hun kracht zetten en ze stimuleren om hun eigenheid en talenten verder te ontwikkelen.’

Interview door:
Marie Meeusen

Dit artikel delen

Reacties

Geef een reactie

Gerelateerde artikelen

Legenda

Donkergroen:
loopt goed

Lichtgroen: 
aan het opstarten of wordt met partners uitgebreid

Geel:
moet nog worden opgestart