‘In Zuidoost maken we passend onderwijs samen thuisnabij’

Bovenschoolse en -bestuurlijke projecten tegen schooluitval

Passend onderwijs thuisnabij maken en zo uitval voorkomen. En dat ook doen voor kinderen die (nog) niet kunnen meedraaien in het reguliere onderwijs en voor wie geen plek is in het S(B)O. Dat is het doel van de projecten Zuidoost Plus en de Startklassen, waar orthopedagoge Marilou van Ginkel in stadsdeel Zuidoost mee haar schouders onder zet. In dit interview legt ze uit voor wie deze bovenschoolse en zelfs bovenbestuurlijke projecten bedoeld zijn en waarom ze er zo trots op is.

Alle scholen in Zuidoost

Marilou is breed opgeleid. Na een studie economie voltooide ze nog de pabo, pedagogiek en orthopedagogiek. Ze werkt nu als orthopedagoge bij het adviesloket van PPOZO, voor alle basisscholen (én ouders!) in Zuidoost. Dit Projectenbureau Primair Onderwijs Zuidoost is de verbinding tussen alle samenwerkende schoolbesturen van primair onderwijs in Amsterdam Zuidoost, dus ook de SBO en SO-scholen. Voor elk kind dat aangemeld wordt, gaat Marilou op zoek naar het onderwijs in de buurt dat het best bij het kind past. 

‘Zuidoost heeft als enige Amsterdamse stadsdeel gekozen om passend onderwijs bovenbestuurlijk te regelen. Vanuit de verbindende rol die het Projectenbureau heeft, kunnen we vanuit het hele stadsdeel en met de partners in de wijk, kijken naar signalen en trends. Van daaruit zoeken we naar de inhoudelijk slimste én voordeligste manieren om budgetten te besteden. Zo ontstaan oplossingen die niet schoolafhankelijk zijn en die dus niet staan of vallen bij de IB’er of directeur.’ 

Zuidoost Plus, meer dan 'speciaal'

Zuidoost Plus (ZO+) is volgens Marilou ‘uit nood geboren’ en richt zich op de kinderen die extra aandacht nodig hebben. Hun gedrags- of leerproblemen drukken een grote stempel. Dat kan leiden tot boze ouders en gefrustreerde leerkrachten die te weinig aandacht kunnen geven aan de andere kinderen, maar bovenal leerlingen die niet krijgen wat zij nodig hebben om hun volledige leerpotentieel te benutten. Marilou beklemtoont dat de ‘plus’ in Zuidoost Plus vooral staat voor ‘extra aandacht’.   

‘Een groot deel van deze kinderen hebben ouders die niet bekend zijn met het Nederlandse onderwijssysteem. Afkortingen als SO en SBO zorgen voor verwarring. In Ghana bijvoorbeeld is ‘speciaal’ onderwijs echt gericht op kinderen met een handicap. Ouders zien hun kind terecht niet als speciaal, maar zien vaak wel dat hun kind extra aandacht nodig heeft en dat is precies wat Zuidoost Plus biedt.’ 

Thuiszitten of eenzame 1-op-1 begeleiding

De kinderen die in aanmerking komen voor Zuidoost Plus hebben vaak een toelaatbaarheidsverklaring voor het SO of SBO gekregen, maar daar is momenteel geen plek voor hen. De huidige wachtlijsten lopen op tot één jaar. Zonder alternatieve oplossing leidt dit tot onwenselijke scenario’s: deze kinderen komen thuis te zitten, of ze worden op de reguliere school uit het klaslokaal gehaald om individuele begeleiding te krijgen die hen van de rest scheidt. Deze scenario’s zijn wat Marilou betreft verleden tijd. 

‘Deze kinderen kregen de hele tijd het signaal dat ze ingewikkeld zijn en niet voldoen. Ze moesten stilzitten en luisteren, maar dat lukte niet. De leerkracht had geen tijd om hen te laten springen of bewegen. Of ze kregen een tijd 1-op-1 begeleiding en konden later, als ze wel een plek kregen in het speciaal onderwijs, niet in een groep functioneren.’ 

‘Je mag zijn wie je bent’

In het Zuidoost Plus project kunnen maximaal twintig kinderen elke schooldag naar school. Er zijn nu twee groepen (middenbouw en bovenbouw) met elk twee begeleiders én een eigen lokaal in een school die centraal in de wijk ligt. In deze kleinere groep krijgen de kinderen begeleiding bij de basis: ze leren taal en rekenen en oefenen met studie en sociaal-emotionele vaardigheden. Het hoofddoel is dat de kinderen tot leren komen en met elkaar leren omgaan. En vooral: dat ze weer met plezier naar school gaan.  

‘De kinderen leren dat het niet erg is als je een keer ontploft van woede. Hun gedrag heeft duidelijke consequenties, dat wel, maar elke dag opnieuw zijn de kinderen weer welkom en mogen ze zichzelf zijn. Ik sprak net een moeder, haar zoon startte na de herfstvakantie bij ons. Ze was verrukt over de veranderingen: hij eet zijn fruit en lunch weer, werkt goed mee, komt tot leren en komt blij thuis na een schooldag. Natuurlijk gaat het niet altijd zo snel, maar het kan wel.’ 

Representatie en pedagogische kennis

Voor elk groep staan twee begeleiders, een man én een vrouw. Ook qua culturele achtergrond is het team divers. Daardoor hebben de jonge volwassenen de functie van rolmodel. Ze zijn strikt genomen geen docent, want ze hebben niet de pabo gedaan, maar social work of pedagogiek. Ze krijgen ondersteuning bij het geven van de lessen. Zij weten als geen ander wat kinderen in de Zuidoost Plus-groepen nodig hebben om met plezier naar school te gaan en tot leren te komen. Wat de begeleiders kenmerkt, is dat ze in staat zijn om over hun eigen eer heen te stappen. 

‘Het gebeurt zeker wel eens dat je als begeleider uitgescholden wordt of een middelvinger krijgt. Dan is het belangrijk dat je dit niet persoonlijk neemt, dat je wil begrijpen waarom dit gebeurt en ook bij het kind vraagt wat jij anders kan doen als het kind nog eens zo boos is. Deze houding vereist stevigheid. De mensen op de groepen zijn energiek en pedagogisch sterk. Op vrijdag volgen ze nu van half drie tot half zes nog een training traumasensitief onderwijs. Ik voel me zo trots als ik zie hoe gemotiveerd ze daar zitten.’ 

Startklassen voor de kleintjes

Marilou ervaart veel vertrouwen van haar leidinggevende en ze krijgt de vrijheid om te bedenken en doen wat nodig is om passend onderwijs thuisnabij mogelijk te maken. Na de zomervakantie startte ze met startklassen voor kinderen van vier of vijf jaar. Op de kinderopvang of voorschool of op wenmomenten op de basisschool blijkt dat deze kindjes nog niet klaar zijn voor de ‘grote school’. In de startklassen leren ze basisvaardigheden die ze op school nodig hebben: bijvoorbeeld naar de juf of meester luisteren, een taakje kiezen, langer op één plek spelen, op een andere wc plassen, de basis Nederlands, etc. In een startklasje zitten maximaal acht kindjes. Daar kunnen nog twee kindjes bijkomen die thuis en in de klas begeleid worden door een ambulant begeleider van Philadelphia. In het startklasje kunnen ze met andere kinderen spelen, terwijl ze op een wachtlijst staan voor een zorgplek bij bijvoorbeeld een kinderdagcentrum.  

‘Ik ben trots op hoe we in Zuidoost ook voor de Startklassen samenwerken. Naast Philadelphia zijn ook voorscholen betrokken, we overleggen met MOC ’t Kabouterhuis en de NSDSK (Nederlandse Stichting voor het Dove en Slechthorende Kind). De kinderen die op de wachtlijst staan voor een plek in zorg hoeven op deze manier niet langer alle dagen thuis te zijn. Deze kindjes kunnen in Zuidoost terecht in de Startklassen, als hun ambulant begeleider er is.’ 

Nauw overleg met ouders

Marilou benadrukt hoe belangrijk het is om als docent of begeleider in nauw overleg met de ouders te blijven. Ze zoekt naar de beste oplossing voor het kind en kijkt goed naar de ontwikkeling van het kind, zonder daarbij de ouders te vergeten. Sommige kleintjes kunnen meteen fulltime meedraaien in de Startklassen. Als het beter is dat het kindje maar drie dagdelen naar school gaat, dan kan het Ouder- en Kindteam bekijken of er via een PGB-budget ook hulp thuis ingeschakeld kan worden.  

‘Ook in de groep ZO+-groepen stuur ik aan op een nauw contact met de ouders. Als er iets heftigs gebeurd is in de klas, dan bellen de begeleiders mij. Ze hebben dan vaak de ouders al op de hoogte gebracht, omdat ze beseffen hoe belangrijk dat nauwe contact is.’ 

Andere uitstroom, zelfde intentie

De leerlingen stromen verschillend uit. Vanuit de ZO+ klassen gaan kinderen naar het reguliere onderwijs, het so of sbo. De uitstroom vanuit de Startklassen gaat naar zorg, regulier, sbo en so. De achterliggende intentie is dezelfde: deze kinderen hoeven niet thuis te zitten. Tot er een passende plek is in onderwijs of zorg, kunnen ze meedraaien in een stimulerende omgeving, met andere kinderen. Welke tips heeft Marilou voor leerkrachten? 

‘Focus op wat een kind wel kan en maak de stapjes om tot een doel te komen klein. Geef ze de tijd die ze nodig hebben, niet ieder kind is schoolrijp op de leeftijd van vier jaar. Een zesjarige kan prima nog in groep 2 meedraaien. Kinderen moeten pas van de basisschool af als ze veertien zijn, terwijl we de leeftijd van elf jaar als norm lijken te gaan hanteren. En soms moet je echt erkennen dat het niet lukt om een kind in een grote groep mee te laten draaien. Dat zegt niets over jouw kunnen. Jij bent leerkracht, geen behandelaar!’ 

Interview door:
Marie Meeusen

Dit artikel delen

Reacties

Geef een reactie

Gerelateerde artikelen

Legenda

Donkergroen:
loopt goed

Lichtgroen: 
aan het opstarten of wordt met partners uitgebreid

Geel:
moet nog worden opgestart